Column: Wat is dat toch met voetballers en padel?
Want wat is dat toch met voetballers en padel?
Wie een beetje om zich heen kijkt, ziet ze overal. Van oud-profs tot spelers van het vijfde elftal: voetballers lijken zich bijna automatisch aangetrokken te voelen tot padel. Arjen Robben, Robin van Persie en Frank en Ronald de Boer zijn bekende voorbeelden, maar bij de gemiddelde amateurclub gebeurt precies hetzelfde. Zodra de voetbalschoenen aan de wilgen gaan, duurt het vaak niet lang voordat het eerste padelracket wordt aangeschaft.
Een deel daarvan laat zich redelijk eenvoudig verklaren.
Tijdens de coronaperiode lag het voetbal grotendeels stil. Wedstrijden gingen niet door en trainen met een compleet elftal was lange tijd onmogelijk. Padel kon onder bepaalde voorwaarden vaak wél doorgaan. Met vier mensen op een baan, op afstand van andere groepen.
Voor voetballers was dat ongeveer het best denkbare alternatief. Je had weer een bal, een medespeler, twee tegenstanders en een uitslag. Hardlopen groeide in die periode natuurlijk ook enorm, maar voor de gemiddelde voetballer ontbreken daarbij toch twee essentiële onderdelen: een bal en iemand anders die je na afloop de schuld kunt geven.
Ook de bekende voetballers hielpen mee. Robben, Van Persie en de gebroeders De Boer verschenen regelmatig met een padelracket in beeld. Zij deelden hun enthousiasme en bereikten daarmee precies de groep die gevoelig was voor deze sport: andere voetballers.
Maar corona kan de eerste kennismaking verklaren. Het verklaart nog niet waarom al die voetballers jaren later nog steeds op de padelbaan staan.
Ik had het daar laatst over met een professionele padelspeler. Wat maakt dat voetballers padel niet alleen leuk vinden, maar het vaak ook vrij snel redelijk onder de knie krijgen?
Het eerste antwoord is natuurlijk balgevoel. Dat klinkt misschien wat gemakkelijk, want een voetbal raken is iets totaal anders dan een goede bandeja, volley of vibora slaan. Zet een voetballer voor het eerst met een racket op de baan en hij is echt niet plotseling een volleerde padelspeler.
Toch nemen voetballers wel degelijk iets mee.
Ze zijn gewend om een spelsituatie te lezen. Een goede voetballer kijkt voordat hij de bal ontvangt al waar de ruimte ligt, waar zijn medespelers staan en wat zijn volgende actie kan worden. Hij reageert niet alleen op de bal, maar vooral op wat er waarschijnlijk daarna gaat gebeuren.
Dat helpt enorm bij padel.
Ook daar gebeurt het spel namelijk overal om je heen. De bal komt niet alleen van voren, maar kan je passeren, tegen het glas komen en vervolgens weer achter je vandaan terugkeren. Je moet continu bewegen, positie kiezen en vooruitdenken. Soms moet je een bal juist laten gaan om hem daarna alsnog te kunnen spelen.
Voor een voetballer voelt dat waarschijnlijk redelijk natuurlijk. Zeker voor middenvelders, die hun hele voetballeven gewend zijn geweest om over hun schouder te kijken en te weten wat er voor, naast én achter hen gebeurt.
Daarnaast lijkt padel opvallend veel op die kleine partijvormen waarmee vrijwel iedere voetbaltraining wordt afgesloten. Drie tegen drie of vier tegen vier. Een klein veld, korte acties, veel balcontacten en voortdurend omschakelen. Niemand kan zich verstoppen en iedereen doet continu mee.
Padel geeft ongeveer hetzelfde gevoel. Het spel is kort, snel en intensief. Je staat nooit lang te wachten en bijna iedere paar seconden moet je bewegen, kiezen of reageren. Je bent bovendien afhankelijk van een medespeler. Je moet elkaar helpen, coachen en af en toe doen alsof je het niet erg vindt dat je partner voor de derde keer dezelfde bal in het net slaat.
Maar misschien zit de belangrijkste overeenkomst wel helemaal niet in het spel.
Wie stopt met voetballen, mist vaak niet alleen de wedstrijden. Je mist ook de kleedkamer, de vaste groep en de kantine. Het eerder aanwezig zijn, samen wat drinken en een wedstrijd na afloop nog drie keer opnieuw bespreken. Voetbal speelt zich voor een belangrijk deel rondom het veld af.
Dat geldt voor padel eigenlijk ook.
Je spreekt met vier mensen af, komt altijd wel bekenden tegen en blijft na afloop gemakkelijk nog even hangen. Voor je het weet, is de volgende wedstrijd alweer geregeld. De padellocatie wordt zo voor veel oud-voetballers een soort nieuwe voetbalkantine. De groep is kleiner en de ondergrond is anders, maar de dynamiek blijft vrijwel hetzelfde.
Misschien is dat uiteindelijk wel de belangrijkste reden waarom padel zo goed bij voetballers past. Het brengt veel van wat ze missen terug, maar dan in een veel flexibelere vorm. Je hoeft geen elftal bij elkaar te krijgen, niet twee keer per week te trainen en niet iedere zaterdag of zondag beschikbaar te zijn.